IDENTIFICATIE VAN LEERLINGEN MET BEPERKINGEN
Aangaande de identificatie van leerlingen met beperkingen kunnen twee verschillende procedures voor indicatiestelling onderscheiden worden: één voor leerlingen vallend onder het ‘Weer Samen Naar School’-beleid en de andere voor de leerlingen onder het ‘Rugzak’-beleid.
Onder het WSNS-beleid is het identificeren van leerlingen met leerproblemen en lichte verstandelijke beperkingen in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de klasseleerkracht. Als blijkt dat de problemen in het onderwijs aan de betreffende leerling moeilijk aan te pakken zijn, kan de klasseleerkracht ondersteuning vragen van de interne begeleider van de school of van leerlingbegeleiders van de school advies dienst. Een volgende stap in dat proces zou kunnen zijn het uitvoeren van (verder) diagnostisch onderzoek door de Commissie Leerlingzorg van het samenwerkingsverband waarin de school opereert. De Commissie kan ook beslissingen nemen over eventueel noodzakelijke extra hulp. In het voortgezet onderwijs voor leerlingen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden en moeilijk lerende kinderen wordt de beslissing over de toelating van leerlingen tot speciale vormen van Voorbereidend Middelbaar BeroepsOnderwijs (VMBO) genomen door een regionale verwijzings commissie. De commissie werkt met landelijke toelatingscriteria. De criteria zijn gebaseerd op IQ, leerachterstanden en sociaal-emotionele problematiek.
Leerlingen toelaatbaar op een school voor speciaal onderwijs kunnen al dan niet regulier onderwijs gevolgd hebben. Voor bijvoorbeeld kinderen met ernstige verstandelijke beperkingen of met meervoudige handicaps, geldt dat van meet af aan plaatsing op een school voor regulier onderwijs als een weinig reële mogelijkheid gezien wordt. Alhoewel leerlingen formeel alleen door de ouders verwezen kunnen worden naar het speciaal onderwijs, kunnen in de praktijk verwijzingen ook gestart worden door de klasseleerkracht, medisch specialisten, sociaal pedagogische diensten of vroeghulp teams. Leerlingen met visuele, auditieve, verstandelijke en/of motorische beperkingen en/of gedragsproblemen worden beoordeeld door de toelatingscommissies van de scholen voor speciaal onderwijs. De samenstelling van de commissie is geregeld bij wet. Doorgaans bestaat de commissie uit een psycholoog, medicus, maatschappelijk werker en de schooldirecteur. Voor bepaalde schooltypen, bijvoorbeeld een dovenschool, kunnen andere specialisten, zoals een audioloog, deel van het beoordelingsteam uitmaken. Leerlingen die toelaatbaar tot een vorm van speciaal onderwijs worden verklaard, hoeven niet noodzakelijk naar een school voor speciaal onderwijs. Formeel bepalen ouders de schoolkeuze en scholen bepalen wie ze wel en niet willen plaatsen.
De huidige regelingen voor toelating tot een school voor speciaal onderwijs formuleren als belangrijkste selectiecriterium dat “ slechts die kinderen worden toegelaten voor wie vaststaat dat overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen is” (Ministerie van O, C & W, 1998, art. 41.1).
In het algemeen bestaat het onderzoek uit een beschrijving van de lichamelijke kenmerken, cognitieve ontwikkeling, specifieke ontwikkelings aspecten (taalontwikkeling, communicatie, concentratie, motivatie, etc.), sociaal-emotionele ontwikkeling (gedrag, emotionele stabiliteit, onafhankelijkheid, etc.), en uit een beschrijving van de gezinssituatie, omgeving en/of culturele achtergrond. De accenten in het onderzoek hangen af van de reden voor verwijzing en de aard van de leerlingbeperkingen. Lange tijd was het toelatingsonderzoek meer gericht op het nemen van een selectiebeslissing, dan op het leveren van basisgegevens voor het maken van een handelingsplan. Nu is het denken over zogenaamde handelingsgerichte diagnostiek gemeengoed, hoewel er nog veel psycho-medisch georiënteerde en op selectiegerichte onderdelen in een gemiddeld toelatingsonderzoek aan te wijzen zijn.
Het zal duidelijk zijn dat de interne criteria in gebruik bij de verschillende toelatingscommissies onderling verschillen, niet alleen tussen maar ook binnen schooltypen.
Onlangs keurde het parlement de invoering van nieuwe criteria en onderzoeksprocedures voor leerlingen met visuele, auditieve, verstandelijke en/of motorische beperkingen en/of gedragsproblemen goed (zie ook: ontwikkeling van integratie/inclusie).
|