|
COMPLETE NATIONAL OVERVIEW
1 Wetgeving
De eerste onderwijswet was de Lager Onderwijs Wet van 1801, maar pas met de zogenaamde derde schoolwet van 1806 werd een significante bijdrage aan de verbetering van het onderwijs gegeven. Die wet schreef maatregelen gericht op het opleidingsniveau van leerkrachten, het curriculum en de schoolinspectie voor. In die tijd werden openbare scholen gefinancierd door de overheid en moesten privé scholen uit andere bronnen gefinancierd worden.
De politieke partijen op religieuze grondslag benadrukten de vrijheid van onderwijs en gelijke bekostiging. Dat leidde tot de Lager Onderwijs Wetten van 1889 en 1917 waarin gelijke bekostiging voor openbaar en bijzonder onderwijs geregeld werd. Na 1920 is dat ook van kracht geworden voor voortgezet en hoger onderwijs. Op dit moment zijn er meer bijzondere dan openbare scholen.
In 1900 werd de leerplicht gesteld op 5 jaar: leerlingen tussen 7 en 12 jaar oud werden geacht naar school te gaan. In 1955 werd de Wet op het Kleuteronderwijs aangenomen, maar kleuters werden niet leerplichtig. De wet op het Basisonderwijs van 1985 integreerde kleuter en lager onderwijs tot één basisschool en maakte onderwijs verplicht vanaf vijf jaar.
De erkenning van de speciale onderwijsbehoeften van zintuiglijk gehandicapten vormt de start van het speciaal onderwijs in Nederland. Rond 1800 werden de eerste scholen voor doven en blinden gesticht. Deze scholen waren in de 19e eeuw bedoeld voor een brede range van auditieve, respectievelijk visuele handicaps. Pas in het begin van deze eeuw werden meer gespecialiseerde scholen voor doven, slechthorenden, blinden en slechtzienden onderscheiden. In de jaren dertig werden ook voor langdurig zieken en voor lichamelijk gehandicapten aparte voorzieningen geschapen.
Het speciaal onderwijs is echter niet lang beperkt gebleven tot onderwijs voor kinderen met een medische handicap. De aanvaarding van de leerplichtwet in 1901 was de eerste wettelijke maatregel die scholen dwong na te denken over de kinderen die 'niet konden leren'. Geleidelijk wer¬den scholen voor zogenaamde 'achterlijke' kinderen opgericht. Bij de wettelijke erkenning van het buitengewoon onderwijs in 1920 waren er in totaal 30 van deze scholen. In dezelfde periode werden de eerste 'scholen voor psychopaten' opgericht voor de kinderen waarvan het gedrag handhaving in het gewoon lager onderwijs moeilijk maakte.
In 1949 werden de wettelijke mogelijkheden om speciale scholen te stichten voor speciale doelgroepen aanzienlijk vergroot. In de decennia daarna werden de scholen voor LOM, MLK en ZMOK opgericht.
Speciaal onderwijs werd oorspronkelijk geregeld middels de Wet op het Lager Onderwijs van 1920. In 1967 werd de Wet op het Speciaal Onderwijs aangenomen. Die werd vervolgens in 1985 weer vervangen door de Interim wet op het Speciaal Onderwijs en het Voortgezet Speciaal Onderwijs (ISOVSO).
Vanaf 1998 werden nieuwe wetten voor het Primair Onderwijs (WPO), het Voortgezet Onderwijs (WVO) en het Speciaal Onderwijs (WEC: Wet op de Expertise Centra) van kracht. Verdere aanpassingen volgden eind 2002. Het effect van deze wetgeving is dat de vroegere scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsproblemen en moeilijk lerende kinderen nu onderdeel van het regulier onderwijs zijn, dat de speciale scholen omgevormd worden tot Expertise Centra en dat een nieuw vraaggestuurd financieringsmodel ingevoerd zal worden. 2 Financiering
De centrale overheid draagt grotendeels zorg voor de financiering van speciaal onderwijs in Nederland. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor kosten van leerlingvervoer en voor het toegankelijk maken van gebouwen voor leerlingen met beperkingen.
Het systeem voor de financiering van speciaal onderwijs is in de kern tamelijk eenvoudig. Het aantal beschikbare leerkrachten is gebaseerd op het aantal leerlingen van de school op een bepaalde peildatum. Er zijn 10 typen speciaal onderwijs, variërend van scholen voor kinderen met spraakstoornissen tot die voor meervoudig beperkte kinderen. Elk van die schooltypen krijgt een aantal leerkrachtminuten per ingeschreven leerling: elke dove leerling bijvoorbeeld ‘levert’ ruim 400 leerkrachtminuten per week op. Gebaseerd op het jaarlijkse overzicht met het totaal aantal leerlingen, het type beperkingen, de leeftijd, en andere kenmerken (etnische achtergrond, opleidingsniveau van de ouders) berekent de overheid de personeelskosten (formatie budget) en alle andere uitgaven (het zogenaamde LONDO budget), waaronder huisvesting, verwarming, leermaterialen, verzekeringen, enz. De toegekende budgetten worden direct aan het schoolbestuur uitgekeerd. Het LONDO-budget komt als lumpsum. Het schoolbestuur kan zelf beslissen over de besteding van deze middelen.
Eveneens gebaseerd op het jaarlijkse overzicht wordt een aanvullend budget voor reiskosten, administratie en kosten voor ambulante begeleiding toegekend. In bijzondere gevallen kan de school een aanvraag voor extra middelen indienen. De overheid beslist over een eventuele toekenning maar het gaat hier, in tegenstelling tot de eerder genoemde budgetten, niet om open-einde financiering. Het totaal beschikbare budget is beperkt en aanvragen kunnen worden afgewezen omdat het budget uitgeput is.
De financiering van het onderwijs aan leerlingen met beperkingen in het regulier onderwijs is lange tijd beperkt geweest. Met de nu bestaande regelingen echter, heeft het regulier onderwijs meer mogelijkheden gekregen. De invoering van het ‘Weer Samen Naar School’- beleid (zie ook: ontwikkeling van integratie/inclusie) geeft het regulier onderwijs meer mogelijkheden om een speciaal onderwijsaanbod in de reguliere school op te zetten. De voorzieningen onder het ‘Weer Samen Naar School’-beleid zijn vooral bedoeld voor leerlingen met leer- en opvoedingsproblemen en moeilijk lerende kinderen.
Naast de financiering beschikbaar onder het ‘Weer Samen Naar School’ beleid, kunnen reguliere scholen in het kader van ambulante begeleiding extra leerkrachttijd aanvragen voor het onderwijs aan leerlingen met visuele, auditieve, verstandelijke en/of motorische beperkingen. Ook zonder ambulante begeleiding zijn er nog mogelijkheden voor extra budget voor de plaatsing van leerlingen met beperkingen in het regulier onderwijs (het Aanvullend Formatie Beleid). Scholen kunnen jaarlijks een budget aanvragen, maar de middelen zijn beperkt beschikbaar. Basisscholen met bijvoorbeeld een leerling met Down's syndroom in groep 1 of 2 kunnen 0.1 formatieplaats ontvangen. Voor een leerling in een hogere groep is 0.2 formatieplaats beschikbaar.
In incidentele gevallen kan er naast de hier voor beschreven middelen van het Ministerie van Onderwijs en de gemeenten ook een beroep gedaan worden op bronnen van andere ministeries, bijvoorbeeld VWS, en op de sociale verzekeringen die voor leerlingen met ernstige beperkingen soms extra apparatuur in de school of specifieke aanpassingen van het gebouw voor hun rekening willen nemen.
De wijze van financiering van het onderwijs aan leerlingen met visuele, auditieve, verstandelijke en/of motorische beperkingen en/of gedragsproblemen zal binnenkort veranderen. Tot nu toe krijgen scholen van de overheid extra middelen, die doorgaans niet voor reguliere onderwijsinstellingen beschikbaar zijn. De extra middelen worden dus toegewezen aan bepaalde aanbieders van onderwijs. Het alternatief is de beschikbare extra middelen toe te kennen aan de ouders van leer¬lingen, dus aan de onderwijsvragers. Leerlingen met beperkingen brengen dan als het ware een `rugzak' vol met extra geld mee. Om die reden staat het beleid bekent als het ‘Rugzak’-beleid (zie ook: ontwikkeling van integratie/inclusie). 3 Identificatie van leerlingen met beperkingen
Aangaande de identificatie van leerlingen met beperkingen kunnen twee verschillende procedures voor indicatiestelling onderscheiden worden: één voor leerlingen vallend onder het ‘Weer Samen Naar School’-beleid en de andere voor de leerlingen onder het ‘Rugzak’-beleid.
Onder het WSNS-beleid is het identificeren van leerlingen met leerproblemen en lichte verstandelijke beperkingen in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de klasseleerkracht. Als blijkt dat de problemen in het onderwijs aan de betreffende leerling moeilijk aan te pakken zijn, kan de klasseleerkracht ondersteuning vragen van de interne begeleider van de school of van leerlingbegeleiders van de school advies dienst. Een volgende stap in dat proces zou kunnen zijn het uitvoeren van (verder) diagnostisch onderzoek door de Commissie Leerlingzorg van het samenwerkingsverband waarin de school opereert. De Commissie kan ook beslissingen nemen over eventueel noodzakelijke extra hulp. In het voortgezet onderwijs voor leerlingen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden en moeilijk lerende kinderen wordt de beslissing over de toelating van leerlingen tot speciale vormen van Voorbereidend Middelbaar BeroepsOnderwijs (VMBO) genomen door een regionale verwijzings commissie. De commissie werkt met landelijke toelatingscriteria. De criteria zijn gebaseerd op IQ, leerachterstanden en sociaal-emotionele problematiek.
Leerlingen toelaatbaar op een school voor speciaal onderwijs kunnen al dan niet regulier onderwijs gevolgd hebben. Voor bijvoorbeeld kinderen met ernstige verstandelijke beperkingen of met meervoudige handicaps, geldt dat van meet af aan plaatsing op een school voor regulier onderwijs als een weinig reële mogelijkheid gezien wordt. Alhoewel leerlingen formeel alleen door de ouders verwezen kunnen worden naar het speciaal onderwijs, kunnen in de praktijk verwijzingen ook gestart worden door de klasseleerkracht, medisch specialisten, sociaal pedagogische diensten of vroeghulp teams. Leerlingen met visuele, auditieve, verstandelijke en/of motorische beperkingen en/of gedragsproblemen worden beoordeeld door de toelatingscommissies van de scholen voor speciaal onderwijs. De samenstelling van de commissie is geregeld bij wet. Doorgaans bestaat de commissie uit een psycholoog, medicus, maatschappelijk werker en de schooldirecteur. Voor bepaalde schooltypen, bijvoorbeeld een dovenschool, kunnen andere specialisten, zoals een audioloog, deel van het beoordelingsteam uitmaken. Leerlingen die toelaatbaar tot een vorm van speciaal onderwijs worden verklaard, hoeven niet noodzakelijk naar een school voor speciaal onderwijs. Formeel bepalen ouders de schoolkeuze en scholen bepalen wie ze wel en niet willen plaatsen.
De huidige regelingen voor toelating tot een school voor speciaal onderwijs formuleren als belangrijkste selectiecriterium dat “ slechts die kinderen worden toegelaten voor wie vaststaat dat overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen is” (Ministerie van O, C & W, 1998, art. 41.1).
In het algemeen bestaat het onderzoek uit een beschrijving van de lichamelijke kenmerken, cognitieve ontwikkeling, specifieke ontwikkelings aspecten (taalontwikkeling, communicatie, concentratie, motivatie, etc.), sociaal-emotionele ontwikkeling (gedrag, emotionele stabiliteit, onafhankelijkheid, etc.), en uit een beschrijving van de gezinssituatie, omgeving en/of culturele achtergrond. De accenten in het onderzoek hangen af van de reden voor verwijzing en de aard van de leerlingbeperkingen. Lange tijd was het toelatingsonderzoek meer gericht op het nemen van een selectiebeslissing, dan op het leveren van basisgegevens voor het maken van een handelingsplan. Nu is het denken over zogenaamde handelingsgerichte diagnostiek gemeengoed, hoewel er nog veel psycho-medisch georiënteerde en op selectiegerichte onderdelen in een gemiddeld toelatingsonderzoek aan te wijzen zijn.
Het zal duidelijk zijn dat de interne criteria in gebruik bij de verschillende toelatingscommissies onderling verschillen, niet alleen tussen maar ook binnen schooltypen.
Onlangs keurde het parlement de invoering van nieuwe criteria en onderzoeksprocedures voor leerlingen met visuele, auditieve, verstandelijke en/of motorische beperkingen en/of gedragsproblemen goed (zie ook: ontwikkeling van integratie/inclusie). 4 Leerlingen met beperkingen in het onderwijssysteem
In Nederland bestaat een leerplicht voor alle kinderen van 5 tot 16 jaar. Vanaf het 16de jaar geldt nog een parttime leerplicht voor twee jaar. In het algemeen komen kinderen na hun vierde verjaardag op de basisschool en blijven daar totdat ze 11 of 12 jaar oud zijn. In de lagere groepen wordt ongeveer 800 uur onderwijs in een jaar gegeven, in de hogere groepen loopt dat op tot 1,000 uur onderwijs in een jaar. Een week bestaat uit vijf schooldagen.
Het onderwijssysteem in Nederland kenmerkt zich door een homogene groepering van leerlingen. Kinderen die om een of andere reden achter blijven, kunnen blijven zitten. In dit jaargroep systeem krijgen kinderen een bepaalde hoeveelheid leerstof in een jaar aangeboden. Kinderen (en hun ouders) krijgen in het algemeen twee tot drie keer per jaar een rapport met betrekking tot de voortgang.
Aan het einde van de basisschoolperiode wordt in de meeste scholen de CITO toets afgenomen. De uitslag op de CITO toets is belangrijk in de beslissing over het type voortgezet onderwijs. Na een betrekkelijk korte periode (één of twee jarige brugklas) in het voortgezet onderwijs vallen definitieve beslissingen over de verschillende typen voortgezet onderwijs. Er zijn verschillende typen voortgezet onderwijs in Nederland: - voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (VWO; 6 jaar, leeftijd 12-18); - hoger algemeen vormend onderwijs (HAVO; 5 jaar; leeftijd 12-17); - middelbaar algemeen vormend onderwijs (MAVO; 4 jaar, leeftijd 12-16); - voorbereidend beroepsonderwijs (VBO; 4 jaar, leeftijd 12-16), met een individuele variant (IVBO); - speciaal onderwijs voor leerlingen met leerproblemen en lichte verstandelijke beperkingen (VSO-LOM ; VSO-MLK).
In alle vormen van voortgezet onderwijs wordt aandacht besteed aan de overgang naar verdere onderwijsmogelijkheden of naar de arbeidsmarkt. Voor meer gedetailleerde informatie over de organisatie van het regulier onderwijs in Nederland verwijzen we u graag naar de informatie van Eurydice: http://www.eurydice.org/Eurybase/Files/NLVO/tcNLVO.htm
Speciaal onderwijs in Nederland is grotendeels georganiseerd als een separaat van het regulier onderwijs opererend onderwijssysteem. Op dit moment (2002/2003) bestaat het speciaal onderwijs in Nederland nog uit tien typen speciale scholen, waaronder: scholen voor dove en slechthorende kinderen, voor kinderen met visuele beperkingen, voor kinderen met motorische beperkingen, voor kinderen met verstandelijke beperkingen en voor kinderen met ernstige gedragsproblemen. De tien typen scholen worden gereorganiseerd in vier typen Expertise centra (zie ook: ontwikkeling van integratie/inclusie).
Voor leerlingen die overstappen van speciaal naar regulier onderwijs geldt de regeling ‘ambulante begeleiding’. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld leerlingen met zintuiglijke, motorische en meervoudige beperkingen, die wel toelaatbaar zijn tot een vorm van speciaal onderwijs maar daar nooit geplaatst zijn (preventieve ambulante begeleiding). Steeds meer leerlingen met beperkingen maken gebruik van de faciliteiten. Bijna .003 procent van alle leerlingen worden ambulant begeleid in basis- en voortgezet onderwijs.
Haaks op het vigerende beleid om leerlingen met beperkingen naar scholen voor speciaal onderwijs te verwijzen, staat het groeiende aantal leerlingen met Downs syndroom dat onderwijs in reguliere basisscholen volgt. In de afgelopen tien jaar is aantal leerlingen met Downs syndroom in het basisonderwijs gegroeid van enkelen tot een kwart van de betreffende leeftijdsgroep. In het regulier voortgezet onderwijs is de integratie van deze leerlingen nog in de startfase. De Nederlandse overheid heeft deze ontwikkeling gevolgd door de bestaande regels zo aan te passen dat extra ondersteuning voor deze groep in het basisonderwijs mogelijk werd.
Speciaal onderwijs is grotendeels gericht op dezelfde leeftijdsgroep als het basisonderwijs. De leeftijd waarop kinderen toegelaten kunnen worden varieert: op sommige schooltypen kan dat vanaf het derde leeftijdsjaar, bij andere pas vanaf zes jaar. Het voortgezet speciaal onderwijs is in principe bedoeld voor leerlingen in een leeftijdsrange van 12 tot maximaal 20 jaar oud. In zeldzame gevallen kan van deze bovengrens worden afgeweken.
In de afgelopen decennia is het aantal leerlingen in scholen voor speciaal onderwijs gestaag gegroeid. Het deelname percentage in het speciaal (voortgezet) onderwijs varieert met leeftijd en met schooltype/aard van de beperkingen. Over het geheel genomen neemt 1.8% van alle leerlingen deel aan een vorm van speciaal (voortgezet) onderwijs in 2002/2003. 5 Leerkracht opleiding
De opleiding van leerkrachten voor het basisonderwijs in Nederland duurt vier jaar. De opleiding wordt verzorgd door de Pedagogische Academies (PA), één van de vormen van Hoger Beroeps Onderwijs. De leerkrachten worden breed opgeleid, ze kunnen na de studie les geven in alle onderwerpen van het curriculum. In de opleiding wordt aandacht besteed aan het onderwijs aan leerlingen met beperkingen. Op grond van de recente beleidsontwikkelingen, denk aan het Weer Samen Naar School- en het Rugzak-beleid, zou meer aandacht in het programma van de PA voor onderwijs aan leerlingen met beperkingen gewenst zijn, maar het programma is al erg vol en het is niet eenvoudig ruimte vinden voor extra onderdelen.
Voor docenten in het voortgezet onderwijs bestaan twee kwalificatieniveaus: een beperkte en een volledige bevoegdheid. Docenten met een beperkte bevoegdheid kunnen geen onderwijs geven aan de hogere klassen van de HAVO en het VWO. Voor een volledige bevoegdheid is studie aan een HBO-instelling of universiteit nodig.
In-service training voor leerkrachten is niet verplicht, maar veel leerkrachten nemen deel aan cursussen over verschillende onderwerpen. In lijn met de beleidsontwikkelingen aangaande integratie worden steeds meer cursussen over onderwijs aan leerlingen met beperkingen aangeboden en gevolgd.
Alhoewel de vervolgopleiding voor het speciaal onderwijs niet echt voorgeschreven is, heeft de meerderheid van de leerkrachten in scholen voor speciaal onderwijs de parttime opleiding van twee jaar gevolgd. De opleiding speciaal onderwijs is bedoeld voor leerkrachten die al werkzaam zijn in het onderwijs en bestaat uit zowel theoretische als meer praktische onderdelen. De opleiding kent verschillende mogelijkheden voor specialisatie, zoals visuele beperkingen, gedragsproblemen, verstandelijke beperkingen, remedial teaching en ambulante begeleiding. Ook een groeiend aantal leerkrachten in het regulier onderwijs heeft een diploma speciaal onderwijs. 6 Ontwikkeling van Integratie/Inclusie
Voor een aanzienlijke groep kinderen en jeugdigen geldt dat ze te maken hebben met ontwikkelings- en/of leerachterstanden in vergelijking met hun leeftijdgenoten, (herhaald) zitten blijven en/of met een verwijzing naar speciale vormen van onderwijs en opvang. Voor bijvoorbeeld kinderen met ernstige verstandelijke beperkingen of met meervoudige handicaps, geldt zelfs dat van meet af aan plaatsing op een school voor regulier onderwijs als een weinig reële mogelijkheid gezien wordt. In de praktijk wordt een belangrijk deel van deze leerlingen door middel van verwijzing naar scholen voor speciaal onderwijs extra hulp geboden. Lange tijd is het speciaal onderwijs gezien als een goede mogelijkheid die extra hulp te bieden. De afgelopen decennia echter is steeds meer zorg geuit over de gestage groei van het aantal leerlingen dat een school voor speciaal onderwijs wordt verwezen. Om het regulier onderwijs te versterken en zo het aantal verwijzingen te beperken zijn diverse beleidsmaatregelen (integratie kleuter lager onderwijs, zorgverbreding, invoeringsprogramma's) ontwikkeld. Het achterliggend idee was, dat regulier en speciaal onderwijs best als aparte onderwijssystemen naast elkaar konden bestaan, maar dat het aantal leerlingen op scholen voor speciaal onderwijs beperkt moet blijven. Een geleidelijk toenemend aantal ouders wil graag dat hun gehandicapte kind niet naar een speciale, maar naar een reguliere school gaat. Ze wijzen er dan op dat de andere kinderen uit het gezin ook naar die school gaan, dat het de dichtstbijzijnde (buurt-) school is en dat ze hun kind onderwijs willen bieden samen met andere, niet-gehandicapte kinderen. Voorstanders van integratie geloven op grond van de ervaringen in andere landen (Denemarken, zweden, Engeland, V.S.) dat integratie mogelijk is.
In het debat over integratie spelen ook andere argumenten een rol. De segregatie van leerlingen in scholen voor speciaal onderwijs wordt gezien als een aantasting van het recht van kinderen aan de lokale samenleving deel te nemen, als sociaal onwenselijk en als een misschien praktische, maar niet strikt noodzakelijke manier van aanbieden van speciaal onderwijs.
Daartegenover staan aanzienlijke aantallen leerkrachten in regulier en speciaal onderwijs en een deel van de ouders. Hoewel ze integratie als streven niet echt afwijzen, gaan ze er vooralsnog van uit dat kinderen met beperkingen behoefte hebben aan een gespecialiseerd onderwijsaanbod en beter af zijn in een school voor speciaal onderwijs.
In de afgelopen jaren is nieuw beleid voor de scholen voor speciaal onderwijs ontwikkeld. Dat beleid valt in twee hoofdlijnen uiteen. Voor de groep 1 scholen (LOM, MLK, IOBK) is het zogenaamde 'Weer samen naar school' (WSNS) beleid ontwikkeld, terwijl voor de andere scholen voor speciaal onderwijs het zogenaamde 'Rugzak' beleid is opgezet.
In het 'WSNS' beleid gaat het om het terug dringen van de verwijzingen vanuit het regulier onderwijs naar het speciaal onderwijs. Eén van de kenmerkende instrumenten van het WSNS beleid zijn de samenwerkingsverbanden, bestaand uit scholen voor regulier en speciaal (LOM en MLK) onderwijs. Van de scholen in het samenwerkingsverband wordt verwacht dat ze gezamenlijk de zorg voor leerlingen met problemen vorm geven. Een volgende stap in het WSNS beleid was het veranderen van de wijze van bekostiging van het onderwijs aan leerlingen met problemen: een deel van de financiën beschikbaar voor het speciaal onderwijs is overgeheveld naar het samenwerkingsverband. Dat maakt het mogelijk om extra middelen in te zetten in het regulier onderwijs voor leerlingen die anders wellicht verwezen zouden worden.
In lijn met het WSNS beleid is ook het voortgezet onderwijs voor leerlingen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden en moeilijk lerende kinderen veranderd. Het speciaal voortgezet onderwijs voor deze leerlingen is niet langer onderdeel van wetgeving voor speciaal onderwijs, maar is in 1998 opgenomen in de Wet op het Voortgezet Onderwijs. Met deze vernieuwing is het speciaal voortgezet onderwijs en delen van het regulier voortgezet onderwijs (MAVO en VBO) samengevoegd tot het VMBO, Voorbereidend Middelbaar BeroepsOnderwijs. Onderdeel daarvan is de zogenaamde individuele hulpstructuur, waarin de methodiek, de didactiek en de pedagogische aanpak meer toegesneden zijn op de individuele behoeften van kinderen. Leerlingen die zelfs met veel extra ondersteuning niet in staat zijn een VMBO diploma te halen kunne deel nemen aan de beroepsgerichte leerweg. Dit bereidt leerlingen voor op laag gekwalificeerd werk op de arbeidsmarkt. Of leerlingen kunnen worden toegelaten wordt beoordeeld door een regionale verwijzings commissie. De commissie werkt met landelijke toelatingscriteria. De criteria zijn gebaseerd op IQ, leerachterstanden en sociaal-emotionele problematiek.
Voor de invoering van het gehele stelsel is een vierjarige overgangsperiode, eindigend op 1 augustus 2002, gebruikt.
De kerngedachte in het beleid voor de scholen voor leerlingen met zintuiglijke, lichamelijke, geestelijke beperkingen en/of gedragsproblemen is, dat niet langer plaatsen voor leerlingen in scholen voor speciaal onderwijs gefinancierd worden, maar dat de financiering aan de leerling gekoppeld wordt, ongeacht de plaats waar de betreffende leerling onderwijs volgt. Leerlingen die een vorm van speciaal onderwijs nodig hebben, hoeven dan niet noodzakelijk meer naar een school voor speciaal onderwijs om de speciale zorg te krijgen, maar kunnen met een zelf te besteden budget de gewenste hulp ook in het regulier onderwijs regelen. Dit beleid is bekend geworden als het ‘Rugzak’-beleid’: de leerlingen nemen de middelen immers mee naar de school van hun keuze. De middelen worden ter beschikking gesteld nadat door een te formeren commissie een indicatiestelling is afgegeven. De hoogte van het ter beschikking gestelde budget zal af hangen van de aard en de ernst van de geconstateerde beperkingen. Na een eventuele indicatiestelling kunnen ouders en leerling een school kiezen en meebeslissen over de besteding van het budget. Het budget wordt pas uitgekeerd aan de gekozen school als ouders en school het eens zijn over de besteding van het budget en over het te realiseren onderwijsaanbod en/of de zorg voor de betreffende leerling. In de zogenaamde Wet op de Expertisecentra wordt nieuwe regelgeving hieromtrent opgenomen.
Scholen hebben de ‘maatschappelijke opdracht gehandicapte leerlingen op te nemen als ouders dat wensen’ (Min van OC&W, 1996, pag. 14). Dat betekent overigens niet dat reguliere scholen onder alle omstandigheden een gehandicapte leerling moet toelaten. De school moet uiteraard in staat zijn de betreffende leerling adequaat onderwijs te bieden. Als dat werkelijk niet mogelijk is, mag de school van plaatsing afzien. De school moet die beslissing wel verantwoorden tegenover de inspectie.
De criteria voor toekenning van een leerlinggebonden budget zijn in hoge mate gebaseerd op de bestaande praktijk. De criteria voor visueel beperkte leerlingen zijn een gezichtsscherpte: 0,3 of gezichtsveld: 30 en een beperkte deelname aan het onderwijs als gevolg van de visusproblemen. Wanneer een gehoorbeperking (conductief dan wel perceptief) gemeten wordt van > 80 dB bij het beste oor en met hoortoestel (of voor slechthorende kinderen minimaal 35 dB en maximaal 80 dB) en een beperkte deelname aan het onderwijs worden leerlingen met een auditieve beperking geïndiceerd voor een leerlinggebonden budget. De beslissing een leerlinggebonden budget toe te kennen aan een leerling met verstandelijke beperking wordt grotendeels gebaseerd op het IQ (< 60), voor motorisch beperkte en voor chronisch zieke leerlingen wordt de beslissing gebaseerd op medische gegevens waarin de beperkingen/ziekte blijkt. De criteria voor leerlingen met ernstige gedragsproblemen gaan uit van een diagnose in termen van de DSM IV categorieën, problemen op school, thuis en in de samenleving en een beperkte deelname aan het onderwijs als gevolg van de problemen.
Direct gekoppeld aan het nieuwe financieringssysteem is de reorganisatie van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. het aantal verschillende schooltypen wordt teruggebracht tot vier zogenaamde regionale expertise centra: voor visuele beperkingen, voor auditieve beperkingen en spraakproblemen, voor verstandelijke en/of motorische beperkingen en voor ernstige gedragsproblemen. In 1997 werden de eerste plannen goedgekeurd door het parlement en in het najaar van 2002 werd meer definitieve wetgeving van kracht. Op dit moment is de implementatie van zowel de criteria, de financiering als de regionale expertise centra in volle gang. 7 Kwaliteits indicatoren voor het onderwijs aan leerlingen met beperkingen
Het gecentraliseerde beleid is een typerend kenmerk van het Nederlandse onderwijssysteem. De centrale overheid controleert middels wet – en regelgeving. De overheid doet dat door bijvoorbeeld kwalitatieve of kwantitatieve eisen aan leerkrachten, scholen en/of leerlingvorderingen te stellen. Meer indirect stuurt de overheid middels financieringssystematiek. De onderwijsinspectie is één van de meest belangrijke instrumenten voor de overheid om gegevens met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs aan leerlingen met beperkingen te verzamelen en te analyseren. Verder kunnen hier onderzoek en nationale toetsafnames (CITO) genoemd worden.
View the SNE data for Netherlands [opens in new browser window]
|